Tests  Types  Diagrams  Books  Forums  Enneagram Relationships  What's hot now  Search
Main | Type 4 | Type 5 | Movie | Care | Chat

Enneagram Movie Board Archive

Maarten Koning (J.J. Voskuil ' Het Bureau' )
[ Boards: Main, Type4, Type5, Movie, Care, Chat ][ Top 10 ] [ HOME ]

Maarten Koning (J.J. Voskuil ' Het Bureau' )


[ Follow Ups ] [ Post Followup ] [ Jan's Enneagram & Movie Board ]

Posted by Jan den Breejen (145.53.141.105) on August 09, 2003 at 12:52:10:

Het meest typerende van Maarten is niet zijn depressieve buien en Wektschmerz, maar zijn afkeer/weerzin/recalcitrantie t.o.v. van mensen met authoriteit, of die denken authoriteit te hebben of vigerende wetenschapsbenaderingen. Tegendraadsheid dus, contrair zijn. De karakterstijl die hier goed bij past is Oldham's Leisurely Style en Millon's negativistic personality.

JDB

citaat:


--------------------------------------------------------------------------------

Willem K.B. Hofstee
Em. hoogleraar Psychologie, Heymans Instituut, Rijksuniversiteit Groningen

Voor wetenschappers met een sterke maag valt er aan Het Bureau nog meer te beleven dan tot nu toe is opgemerkt1. De hoofdpersoon verkeert in een staat van weerzin ten opzichte van zijn eigen discipline. Die gemoedstoestand is enerzijds herkenbaar; anderzijds komt men haar in wetenschapstheoretische verhandelingen niet op die manier tegen. Er valt dus van te leren, voor wie de herkenning aandurft.

Vooraf: dit stuk gaat over Maarten Koning, niet over J.J. Voskuil; iedere overeenkomst tussen het personage – of andere personages – en personen van vlees en bloed zijn voor rekening van de lezer. Bijvoorbeeld: de vele ingelaste teksten van lezingen, deels in vreemde talen, van recensies, brieven en dagboekfragmenten van Koning kunnen best uit iemands privé-archieven afkomstig zijn, maar in relatie tot de auteur zijn ze fictief, volgens de ijzeren wetten van de literatuur.
Ook vooraf: het hier uitgelichte thema is niet het belangrijkste, laat staan het enige dat aan Het Bureau de moeite waard zou zijn. Wat dat betreft zou ik eerder opteren voor de volgehouden averechtse ode aan de vrouwelijke hoofdfiguur (vermoedelijk heeft Nicolien al spreekwoordelijke status bereikt), voor de dialogen die in hun fusie van realisme en surrealisme hun weerga niet kennen, of voor het mantra-effect van duizenden bladzijden ‘minimal music’. Ik ga alleen in op het aspect dat het zwaarst ligt – zo zwaar dat ik me in het geheel niet kan verplaatsen in diegenen die ieder nieuw deel per eerste gelegenheid probeerden te bemachtigen en in een adem uitlazen.

Konings naïviteit
Koning wil de dingen beschrijven zoals ze zijn (zie bijv. het slot van Deel 7); hij zet zich in voor de documentaire functie van het Bureau, tegenover de theoretische waarop geleidelijk van buitenaf steeds meer nadruk komt te liggen. Zijn wetenschappelijke grondhouding doet in eerste instantie denken aan het naïef empirisme, zoals dat door contemporaine wetenschapsfilosofen is gewraakt: de gedachte dat de waarheid ontspringt aan een uitputtende observatie van de feiten. Maar naïef is hier niet meteen het juiste woord, en het empirisme van Koning geeft om te beginnen aan dat begrip zelf een andere lading. In plaats van atheoretisch is het in bepaald opzicht anti-theoretisch van aard. De getrouwe beschrijving dient om verhalen de wereld uit te helpen.
Het standaardverhaal dat Konings vak (dat in dit verband even fictief is als hijzelf) beheerst, komt ongeveer hierop neer: tradities zoals het opzetten van een kerstboom zijn van oudsher diep in de volksaard verankerd. Onderzoekers in zo’n vak worden geacht zich te vergapen aan de onpeilbare mystiek die zulke verschijnselen ademen, op de manier waarop de oprechte psychoanalyticus ootmoedig buigt voor de onzegbare potentie van het Onbewuste. Die ootmoed schept een draagvlak voor het onderzoek in kwestie, een verstaansbasis met de geïnteresseerde leken (in Konings geval doorgaans woonachtig op het platteland).
Alleen, het verhaal gaat niet op. Diachroon onderzoek wijst uit dat folkloristische rituelen menigmaal constructies of op z’n best reconstructies zijn, ondernomen in latere tijden. Ze zijn er niet altijd geweest, en die vaststelling is dodelijk voor de verankerings-retoriek. Het standaardverhaal blijkt op een averechtse manier ‘presentistisch’: terwijl ‘presentisme’ doorgaans staat voor de neiging de hedendaagse rationaliteit van een tak van wetenschap terug te projecteren in de tijd, is het hier de romantiek des levens die altijd al in de kiem aanwezig wordt geacht te zijn geweest. Koning wordt dus geconfronteerd met een valse romantiek, met iets dat men sentimenteel presentisme zou kunnen noemen.
Naïef empirisme krijgt in dit verband de betekenis van ontmaskering: de kleine Koning roept dat de grote keizer geen kleren aan heeft. ‘Naïviteit’, bedoeld als onnozelheid, promoveert tot onbevangenheid. Niet dat het Koning daarom te doen was; het zou onjuist zijn hem af te schilderen als een falsificationist. Stervelingen zoals ik kunnen onbeschaamd genieten van een dergelijke ‘debunking’, en zullen de neiging hebben tegenverhalen te construeren waarin de uitbuiting van de folklore begrijpelijk wordt. Meer in het algemeen zijn positivisme en negativisme de helften van een identieke tweeling, zoals Fenna Poletiek2 op virtuoze wijze aantoont. Maar zulke platvloers-wetenschappelijke neigingen treft men bij Koning niet aan. Hij belichaamt een derde, neutrale weg in de relatie met de feiten. Zijn wetenschapsattitude is die van de klassieke misprijzende alpha – een ernstig bedreigde soort in een ernstig bedreigde wetenschappelijke cultuur.
Koning begint zijn baan bij meneer Beerta nadat hij tot tevredenheid heeft vastgesteld dat het werk in kwestie geen nut heeft. In de huidige tijd, waarin het Leidse College van Bestuur even verwachtte dat Egyptologen zich zouden gaan inverdienen door Nederlandse zakenlieden te begeleiden die de Egyptische markt willen betreden3, is het nauwelijks meer voorstelbaar dat het nutteloosheidsargument in het midden van de afgelopen eeuw onder aankomende intellectuelen gemeengoed was; natuurlijk had je toen ook wel ballen en patsers, maar die hadden bepaald nog niet het intellectueel initiatief. De onthechte wetenschapsattitude is bij Koning een aspect van een levenshouding, door Nicolien nog meer dan door Maarten verwoord als ‘buiten de maatschappij blijven’, met name geen deel hebben aan de economie. (Het wordt ook niet duidelijk waar de inkomsten van de Koningen blijven; mogelijk bij Amnesty International, maar daarvan wordt geen gewag gemaakt, waarschijnlijk omdat Voskuil zich donders goed realiseert dat ze op die manier toch terechtkomen in diezelfde economie). Men vindt de ascetische houding terug bij hedendaagse Vrekken, maar dan bij wijze van gekoesterd relict. In het wetenschaps-‘bedrijf’ speelt ze eigenlijk überhaupt geen rol meer: met het Engels als voertaal is Amerikaanse utilitarianisme schijnbaar automatisch meegeïmporteerd. Dat is een beetje jammer, omdat het nutsbeginsel op gespannen voet staat met de kern van het wetenschappelijk ethos: belangeloosheid, onbevangenheid, of zo men wil naïviteit.
Voor wie zich realiseert dat ‘nutteloos’ geen diskwalificatie is, komt het vervolgens niet als verrassing dat Koning gaandeweg verslingerd raakt aan zijn vak, eenvoudig door het te beoefenen. Het vermogen dat zich daarbij ontplooit is de al aangeduide vorm van onsentimenteel empirisme, niet zozeer een wetenschapstheoretisch program als wel een bepaalde gave, maar wel een die de kern van de wetenschappelijke attitude raakt. Men treft haar aan bij onmogelijke mensen. Zij zien de dingen zoals ze zijn. Ze zijn in staat, of liever behept met het vermogen, voorbij te zien aan voorliggende bedoelingen, verwachtingen en apriori's, kortom: andermans verhalen. Waar de meesten van ons zich uit de naad moeten werken en allerlei trucs moeten aanleren om de naakte waarheid in het vizier te krijgen, is bij deze mensen de ‘good hard look’ eerder een automatisme, soms tot hun eigen verdriet. Overigens is deze onmeedogendheid misschien nog wel prominenter aanwezig onder schrijvers zoals Voskuil zelf en bijvoorbeeld Coetzee, en onder kunstenaars.

De positie van de menswetenschappen
Bij de onsentimentaliteit begint vervolgens de ongemakkelijke positie van de menswetenschappen in de ruime zin. In Konings geval speelt het besef dat het publieke draagvlak voor zijn discipline nu juist is gelegen in Blut-und-Bodenachtige récits. De Egyptoloog Borghouts4 zegt over avondonderwijs voor leken: “Daar zitten mensen tussen die door romantische voorstellingen van de Egyptische magie worden gedreven. Zeveraars die de farao’s als godenzonen zien, en die bedreven willen raken in handoplegging en droomtherapieën”. Bij een bezoek van een Amerikaanse gedragsgeneticus was de eerste vraag die ik een journalist hem hoorde stellen, of het waar was dat eeneiige tweelingen op paranormale manier met elkaar kunnen communiceren. Enzovoort. Alpha’s en gamma’s verkeren in een wankele positie, op een draagvlak waarop men menigmaal de tenen moet dichtknijpen. Beta’s nu en dan ook wel, maar die hebben een ander soort grond onder de voeten: ze leveren vroeg of laat technologie af, en mensen weten wel dat je in dat opzicht met mystiek tot en met romantiek niet ver komt. Menswetenschappen daarentegen zijn primair ‘teaching professions’: ze zijn meer rechtstreeks bedoeld voor de mensen zelf, maar die hebben er eigenlijk geen boodschap aan. Men zou dat tragisch kunnen noemen, als dat niet wat overdreven was.
De wetenschappelijke attitude vindt zijn wortels in het rationalisme; eventuele romantici bevinden zich onveranderlijk buiten de mainstream. Voor althans de menswetenschappen echter geldt wellicht al even onveranderlijk dat diegenen die van buitenaf het heftigst in zo’n vak zijn geïnteresseerd, de diametraal tegenovergestelde positie innemen. Uiteraard zijn ze onder de aankomende studenten van zo’n vak ook goed vertegenwoordigd. In een oud onderzoekje5 naar de belangstelling van aankomende psychologiestudenten bleek dat die graag karakters leerden begrijpen, de oorsprong van minderwaardigheidscomplexen wilden nagaan, en motieven van het menselijk handelen wilden opsporen; waar ze niet voor voelden was computerprogramma’s schrijven voor gegevensverwerking, statistische problemen oplossen, en leerproeven met ratten doen. In de nieuwe eeuw zal dat niet anders zijn.
Konings weerzin heeft niet eens zozeer betrekking op de leken, de correspondenten waarmee het Bureau een netwerk onderhoudt, maar eerder op zijn vakgenoten, die meer lijken te romantiseren dan in andere disciplines het geval is. Alleen al het vooruitzicht van deelname aan congressen, met name in Duitsland, vervult hem keer op keer van fysieke misselijkheid en barstende hoofdpijn, iedere keer tot vreugde van die lezer die enerzijds zich in die reactie van ontworteling en vervreemding herkent, en anderzijds zelf wat minder extreem reageert. Nu hoeft Konings ‘nausée’ misschien niet in verband te worden gebracht met verschillen in wetenschappelijke attitude; die interpretatie is voor mijn rekening. Maar minstens kan men een verwantschap zoeken tussen de extraversie waarmee bepaalde wetenschappers genieten van congressen, en die waarmee ze meevibreren met het Volksempfinden.
Om dit thema op de spits te drijven: de beoefenaar van een menswetenschap die zich blootstelt aan de mantra van Het Bureau, gaat zich gaandeweg afvragen wat hem- of haarzelf heeft bewogen zo’n vak te kiezen en bij die keuze te blijven. Was het misschien, na aftrek van mooie vondsten achteraf, toch diezelfde mystieke fascinatie die de heftig geïnteresseerde leek en de doorsnee nuldejaars drijft? Is daar gedurende de looptijd wel iets aan veranderd? Heeft mijn audience er werkelijk iets aan gehad? Had ik niet de zelfdiscipline moeten opbrengen om iets natuurwetenschappelijks te gaan doen, in plaats van me te verliezen in pogingen water en vuur met elkaar in contact te brengen? Het verdient aanbeveling Het Bureau ter hand te nemen omstreeks het officiële einde van de eigen wetenschappelijke carrière, toch al een fase waarin zelfs de meest oppervlakkige geest door beschouwingen en vragen van derden wordt aangezet tot dergelijke reflecties.

De wetenschapper
Mensen verschillen op de dimensie rationalisme-romantiek. Aan het ene uiterste bevindt zich de schizoïde asceet, nog consequenter dan Maarten Koning die zich, tot telkens weerkerende ergernis van Nicolien, nu en dan laat vervoeren door zijn werk bij het ‘rotbureau’, en zich achteraf realiseert dat hij daar bij tijden gelukkig is geweest. Aan het andere vinden we de ondernemende guru, die natuurlijk in Konings vak evenmin in reincultuur aanwezig is: daarvoor moet men bij bepaalde gammavakken zijn.
Wetenschappers van vlees en bloed bevinden zich meestal ergens rond het midden. Ze ontwikkelen een scala aan mentale handgrepen om hun rug een beetje recht te houden zonder zich helemaal terug te trekken in de soevereiniteit van het Koningschap. Ik zou er bijvoorbeeld geen moeite mee hebben, serieus onderzoek te doen naar de vraag of eeneiige tweelingen elkaar ab ovo kunnen doorschouwen, en zelfs bereid zijn me te realiseren dat zulk onderzoek langs de kern van het mysterie heenfietst. Het zou uiterst interessant zijn meer systematisch onderzoek te doen naar de ‘coping styles’ in dit opzicht van beoefenaars van de menswetenschappen, naar de manieren waarop ze erin slagen hun integriteit te bewaren of althans zichzelf die aan te praten. Daar gaat waarschijnlijk nogal wat energie in zitten.
Maar vroeg of laat, bij tijd en wijle, slaat de existentiële misselijkheid toe. De supreme kunst is dan, haar onder ogen te zien. Daar helpt geen lieve menswetenschap aan, want die is deel van het probleem. Alleen de roman (!) kan erin slagen zulke vreselijke dingen te sublimeren tot iets moois. Platter gezegd: Koning heeft aanzienlijk minder eelt op zijn ziel, en zijn emotionele intelligentie is navenant minder ontwikkeld, dan bij doorsnee stervelingen het geval is; toch redt hij het zo’n beetje. Men kan daar troost uit putten, of een beetje jaloers zijn op een figuur die een existentieel probleem heeft durven radicaliseren. Hoe dan ook verdient Koning een of andere wetenschapstheoretische prijs, in ontvangst te nemen door zijn geestelijke vader.

--------------------------------------------------------------------------------
Noten



Follow Ups:



Post a Followup

Name:
E-Mail:

Subject:

Comments:

Optional Link URL:
Link Title:
Optional Image URL:


[ Follow Ups ] [ Post Followup ] [ Jan's Enneagram & Movie Board ] [ FAQ ]
movieboard/messages/13359.html